|
Ik ben innerlijk onrustig
als ik mijn gewend
verstek
verlaten moet;
ik vergeet dat het oude in het nieuwe huist en dat daar ook Uw thuis is.
Gij hebt mij doen kennen door vrienden die mij onbekend
zijn.
Gij hebt mij een zetel gegeven in vreemde huizen.
Gij
hebt het verwijderde nabij gebracht en
van de vreemdeling een
broeder gemaakt.
Door geboorte en dood,
in deze wereld of in
andere,
waar Gij mij ook voert,
daar zijt Gij
het, Gij, Dezelfde,
de enige metgezel van mijn oneindige
leven,
die steeds mijn hart met vreugdebanden aan het ongewone
bindt.
Voor wie U kent is er niemand vreemd en geen deur
gesloten.
O verhoor mijn bede,
Dat ik nooit de zegen moge
derven van de aanraking des Enen in het spel der
velen!
Rabindranath Tagore
|
|
|